«

»

World Granny blog maart 2012 Telefoontje

 

Mijn telefoon gaat. Ik vis úm behendig uit mijn tas en roep opgetogen:“Hallo, met Oom”. Ik zie aan het nummer, dat zij het is. “Hi, Oom”. Haar stem klinkt opgewekt. Mijn 2de kleindochter, de jongste van mijn jongste dochter. Stralende bruine ogen, een oogopslag die niet met zich laat sollen, maar ook een oogopslag die altijd op het punt staat om te grinniken. Een blije, opgewekte meid. Sportief én met eeuwig geldgebrek. “Bel je om de bibliotheek te komen sorteren?”, raad ik. “Nou nee, oom, dat niet. Ik heb vakantie!” antwoordt ze laconiek. “Lijkt mij een zeer geschikte periode”, kaats ik terug. “Nee, oom. Vakantie is om uit te rusten. De vakantie is trouwens al half om en ik ben nog lang niet bijgekomen. Ik moet er straks weer tegenaan! Ik moet er echt tegenaan, oom”. Haar stem klinkt serieus. “Ja?” vraag ik. “Ja” zucht ze: “Het is erop of er onder. Ik wil eigenlijk gewoon graag op deze school blijven. Mijn klas is hartstikke tof. Maar of ik het red?!”. Het blijft even stil. “Is er iets waar ìk mee kan helpen?” opper ik behoedzaam. Ik heb haar zusje in de eerste jaren van de middelbare school wel geholpen; woordjes, grammatica, geschiedenis en aardrijkskunde. Heerlijke uren, samen aan de keukentafel in het grote huis in Culemborg, met een never-ending pot thee en stapels glutenvrije koekjes. “Nee, oom. Nee. Lief, maar ik moet het zelf doen. Ik heb ook al huiswerkklas en remedial teaching voor de woordblindheid. En daar word ik ook stapelgek van.” Is dat dan al vastgesteld? Die woordblindheid?” vraag ik verbaasd. “Nee, dat stellen ze geloof ik vast tijdens die remedial teaching. Het is een stom geëmmer en het is vooral niet leuk. Ik heb gewoon effe wat tijd nodig ofzo”.  Ze zucht weer. “Ik wil het gewoon op mijn eigen manier doen, oom”.

Ik dwaal met mijn gedachten af. Dit is het leven van de kinderen van onze Westerse wereld. Ze worden getypeerd, gekwalificeerd, getentamineerd, geobserveerd en geanalyseerd. Alle ogen zijn gericht op hen en op hun prestaties. Dyslectie, dyscalculie, hoogbegaafd, ADHD en ADD. Het maakt niet uit, lijkt het, als het maar ìets is. Het kind staat centraal. Dat is mooi, maar een kind moet ook gewoon kunnen spelen, ruziemaken, niks doen en zelfs zich vervelen. Gewoon, gewoon, zoals kinderen doen. Opeens herinner ik me de gedrilde kinderen bij Father John in Kenia, de missionaris, waar ik jaren geleden eens op bezoek was met de Memisa. Het was op de internaatsschool van de missiepost. Wat de kinderen van het internaat deelden, was dat ze wees waren. Hun ouders waren overleden aan de AIDS of andere ziektes of ongelukken. Iedere ochtend was er een Heilige Mis, die werd opgedragen in de openluchtkerk. Trommels, zang en swingende heupen verrieden luidkeels het Afrikaanse bloed. De Father straalde. Rome was nog ver weg. Na de mis gingen de kinderen, gesterkt met een kom soep die de Father na de mis, gulhartig uitdeelde, naar de school. In lange rijen, keurig in het gelid en strak in het schooluniform. De kleintjes voorop, de langsten achteraan. “Ik heb geprobeerd om de kinderen vooraan te laten lopen die in hun klas het beste waren”, vertelde de Father, terwijl hij de rechte kinderruggen tevreden nastaarde. “Maar dat gaf zoveel gedoe. De kinderen die het moeilijker hadden met leren, bleven er gewoon voor weg. Die willen niet te kijk lopen in zo’n rij. Die willen gewoon de tijd en de ruimte krijgen om het beter te gaan doen. Gewoon leren op hun eigen manier. Dan komt het meestal wel goed”.

“Oom, ben je er nog?” Ik schrik. “Ik was even aan iets anders aan het denken”, stamel ik: “Sorry. Ik was je even totaal vergeten”.

“Ach, oom”, zegt ze lachend: ”Geeft niks. Dat heb ik nou ook altijd op school”.

 

Maart 2012

Wereldoma.